|
|
In de kleuterklassen
zitten kinderen van vier tot zes jaar. De klassen zijn ‘heterogeen’,
dat wil zeggen dat er in een klas jongste, middelste en oudste kleuters
bij elkaar zitten.
Het samengaan van jongere en oudere kleuters biedt veel mogelijkheden
voor de sociale ontwikkeling van de kinderen. De kleuters blijven
gedurende hun kleutertijd bij dezelfde leerkracht.
|
|
| In
de kleutertijd ontwikkelt de kleuter voorwaarden voor het leren.
In het vrijeschoolonderwijs is het spel hierbij een belangrijk didactisch
middel. Dat wat het kind waarneemt en ervaart in de wereld om hem
heen wordt verwerkt in het spel. Het jonge kind bootst na vooraleer
hij begrijpt, zo heeft het kind leren staan, lopen, spreken en denken.
In de kleutergroepen krijgt het kind volop gelegenheid om in het
spel de fantasie te ontwikkelen. Het spelen blijft van groot belang
voor de taal en denkontwikkeling, de sociaal emotionele ontwikkeling
en de motorische ontwikkeling.
|
|
Tijdens het spel vindt er ontwikkeling plaats van innerlijke activiteit,
beweeglijkheid en leert het kind voorstellingen en begrippen los
van de zichtbare en tastbare werkelijkheid te hanteren. Hierdoor
verwerft het kind zich vaardigheden waarmee het later leert rekenen
en mathematiseren.
Deze spelvormen worden op verschillende wijzen aangeboden, enerzijds
is er het "vrije spel" anderzijds zijn er de spelen die
door de leerkracht worden aangeboden waarin de leerdoelen voor de
kinderen verweven zijn. Zo zijn er bijvoorbeeld het vrije spel,
het cultuurspel, de kringspelen, de vingerspelen die dagelijks terug
keren in het ritme van de dag.
|
|
|